Voor akkerbouwer Tienus Berkepies uit het Drentse Nooitgedacht is samenwerken met melkveehouders heel gewoon, en nodig. “Ik ben continu op zoek naar goede grond voor m’n aardappelen.” Berkepies werkt het meest samen met zijn buren, melkveehouders Gert-Jan en Giske Warringa.
“Los van elkaar zouden wij allebei geen gerst verbouwen”, stelt Giske Warringa. “Als melkveehouders hebben wij niet het juiste machinepark en geen verstand van deze teelt. Maar wij voeren het wel graag aan onze koeien.” Akkerbouwer Tienus Berkepies vult aan: “Financieel gezien is gerst voor mij helemaal geen interessant gewas, maar als rustgewas wel.” In de samenwerking wordt wél gerst geteeld. Vooral wintergerst is aantrekkelijk. Dit wordt voorafgaand aan Tagetes geteeld, dat Berkepies graag voor 1 augustus zaait. Als aaltjesbestrijder wordt deze groenbemester gevolgd door uien.
Akkerbouwer Berkepies
Berkepies teelt 95 hectare pootaardappelen, 13 hectare zetmeelaardappelen voor de vlokkenindustrie, 20 hectare zaaiuien, 8 hectare suikerbieten en 3 hectare voederbieten. Het bedrijf telt ook 75.000 vleeskuikens, die volgens het Beter Leven Keurmerk 1 ster worden gehouden. Daarnaast voert Berkepies loonwerk uit en worden aardappelen voor derden gesorteerd. Berkepies werkt in maatschap met zijn zoon Gerwin. Het werk op het bedrijf wordt gedaan met zes personen.
Melkveehouder Warringa
Warringa houdt 160 melkkoeien met bijbehorend jongvee. Van hun 115 hectare land is 29 hectare natuurland, dat buiten de grondruil blijft. Op de rest van hun percelen hebben ze gras en mais staan. Naast gerst verbouwt Berkepies ook voederbieten voor de melkveehouders als krachtvoer voor hun koeien. Warringa: “Ideaal, onze buurman kan dat veel beter dan wij. Door de gerst en voederbieten kunnen wij minder brok voeren. Dat zien we terug in onze duurzaamheidscores, we scoren goed op CO2-emissie.”
Om de tafel
Ieder jaar in november gaan de buren met elkaar om de tafel. Dan ronden ze het afgelopen seizoen financieel af en kijken ze vooruit. Per perceel bespreken ze hoe ze dat het komende jaar willen gaan gebruiken. Warringa: “De weidegang van onze koeien is voor ons leidend, daar plannen we de gewasrotatie omheen. We kijken welke percelen geschikt zijn voor de pootaardappelen en welke voor gerst, bieten en mais. Ook kijken we naar de regelgeving: hoe kunnen we de rotatie slim aanpakken, zodat we gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld de eco-regeling? De rotatie bepalen we samen, maar je hebt als eigenaar natuurlijk meer zeggenschap over je eigen perceel.”
Berkepies vult aan: “De laatste afspraken maken we pas begin maart. Dan beslissen we bijvoorbeeld waar de bieten komen, die gebruiken we echt als slotgewas.” Warringa: “Hebben we een gezamenlijk bouwplan? Nee, want we ruilen ook beiden nog met andere ondernemers. Maar de gewasrotatie op perceelsniveau doen we wel echt samen.”
Aardappelmoeheid
Berkepies ruilt ieder jaar grond met zo’n acht melkveehouders uit de buurt. Die zijn allemaal nodig, want niet alle grond van Warringa is geschikt voor de aardappelteelt. “Zonder grondruil kan ik hier niet uit de voeten met m’n pootaardappelen”, verklaart Berkepies. “We hebben als sector vroeger de aardappelmoeheid en andere nematoden niet goed aangepakt in deze regio, dus moeten we er nu goed mee aan de slag en goed kijken naar onze bodem.” Ook voor de zetmeelaardappelen is een goede bodemkwaliteit een must. “Die gaan via Avebe de markt op als zetmeelvlokken, daarvoor moet ik de aardappelmoeheid in de bodem hier drastisch verlagen.” Naast aandacht voor de bodem met gewasrotatie kiest Berkepies voor robuuste zetmeelaardappelrassen.
Meer dan grondruil
De bodemkwaliteit is de belangrijkste reden voor de samenwerking, maar de akkerbouwer en melkveehouder werken ook op andere manieren samen. Zo gaat er mest van Warringa naar de akkerbouwer, maken ze gebruik van elkaars machines en spuit Berkepies de mais van de melkveehouders. “Dan weten we zeker dat het goed gebeurt, met hart voor de grond”, aldus Warringa. Beiden vinden het ook belangrijk dat je als buren bij elkaar betrokken bent. Berkepies: “Als we elkaars problemen kennen, dan kunnen we samen oplossingen vinden. In je eentje blijf je alleen maar in je eigen cirkeltje ronddraaien. Het gaat om elkaar wat gunnen, elkaar helpen en flexibel zijn.” Zijn er ook nadelen aan de samenwerking? Berkepies schudt zijn hoofd. “Nee, echt niet.”
Drentse gewoonte
Het is in Drenthe heel gewoon, de jaarlijkse grondruil. In vervlogen tijden waren hier veel gemengde bedrijven. Toen de focus op specialisatie kwam te liggen, bleef het gezamenlijk grondgebruik op veel plekken door akkerbouwers en melkveehouders in stand gehouden. En niet voor niets: op de arme zandgrond kon het immers niet anders. De vaders van Berkepies en Warringa werkten al samen. “Het gepuzzel wordt wel intensiever door de regelgeving. Maar we doen het ook zelf, hoor. We zijn steeds meer op details aan het sturen. Dat is wel de tijdgeest, onze ouders deden dat niet”, weet Warringa. Wat wel is gebleven van vroeger? Er wordt niets vastgelegd. Iedere ondernemer maakt z’n eigen aantekeningen bij het overleg en dat is voldoende. Er is volop vertrouwen. “Dat zit hier in de volksaard”, vertelt Warringa, zelf import-Drent.
Vaak rustgewassen
Warringa en Berkepies komen gezamenlijk tot de conclusie dat ze vaker rustgewassen in de rotatie hebben dan is voorgeschreven. “Op heel veel percelen hebben we meer dan de helft van de tijd een rustgewas staan.” De ligging van de percelen bepaalt hierbij veel. Warringa: “De percelen dichtbij huis gebruiken we meer voor het weiden van onze koeien dan voor akkerbouwgewassen. Zo heeft onze huiskavel vier jaar gras, dan een jaar pootaardappelen en dan weer vier jaar gras. De percelen die verder weg liggen, hebben bijvoorbeeld twee of drie jaar akkerbouwgewassen staan. Daar staat ook mais, uien of bieten. Percelen die nog verder weg liggen, hebben steeds korter gras en zijn steeds langer bouwland.” En soms kiezen ze gezamenlijk ook voor één jaar gras tussendoor. Warringa: “Als dat voor Tienus beter uitkomt? Dan doen we dat.” Het tekent de samenwerking.
Nog veel kansen
Berkepies en Warringa zijn er beiden van overtuigd: er liggen nog veel kansen in de samenwerking tussen de akkerbouw en veehouderij. Ze pleiten voor meer onderzoek en een passend beleid. Een dergelijke samenwerking is namelijk gunstig voor onder andere aaltjesbestrijding, waarbij het middelgebruik kan dalen. Maar ook voor bodemverbetering, wat naar de toekomst toe steeds belangrijker wordt. Berkepies: “Vitale gewassen telen kan alleen maar op een vitale grond.”
Tekst en beeld: Kirsten van Valkenburg




