De Nederlandse export van voedingsmiddelen staat onder druk. Terwijl de totale Nederlandse uitvoer in de eerste zeven maanden van 2026 groeide, daalde de exportwaarde van voedingsmiddelen met 8,7 procent. Volgens ABN AMRO komt dit vooral door lagere producentenprijzen, maar ook de afzetvolumes en hoge transportkosten spelen een rol. De ontwikkelingen zijn relevant voor de afzetketens waarin Nederlandse akkerbouwproducten terechtkomen. Dat blijkt uit de meest recente ‘Stand van de Food Sector’ van ABN AMRO.
De bank signaleert een opvallend verschil tussen de algemene ontwikkeling van de Nederlandse export en die van de voedingsmiddelenindustrie. Terwijl de totale uitvoer in de eerste zeven maanden met 3,7 procent toenam, liep de exportwaarde van voedingsmiddelen terug. Volgens berekeningen van ABN AMRO hangt ongeveer driekwart van de daling samen met lagere producentenprijzen. Het resterende deel komt door lagere exportvolumes en een verschuiving naar producten met een lagere exportwaarde.
Europese afzetmarkt onder druk
Europa is veruit de belangrijkste afzetmarkt voor Nederlandse voedingsmiddelen. Ongeveer 80 procent van de exportwaarde komt uit Europese landen. In de eerste zeven maanden van 2026 daalde de exportwaarde naar Europa met acht procent. Vooral het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk laten een duidelijke terugval zien, met respectievelijk twaalf en elf procent. De exportwaarde naar Duitsland daalde met zes procent en die naar België met zeven procent. Spanje vormt een uitzondering met een stijging van twee procent.
ABN AMRO wijst op de terughoudendheid van Europese consumenten. Hoewel de voedselinflatie afneemt, liggen de prijzen in de supermarkt nog altijd aanzienlijk hoger dan enkele jaren geleden. Consumenten letten daardoor sterker op aanbiedingen en goedkopere producten. Supermarkten reageren hierop met meer promoties en een groter aanbod van huismerken.
Hogere transportkosten raken export
Ook buiten Europa ondervindt de voedingsmiddelenindustrie tegenwind. De exportwaarde naar Noord-Amerika daalde in de eerste zeven maanden met negentien procent. Naar Azië bedroeg de daling zes procent. Volgens ABN AMRO hebben hogere brandstofprijzen en verstoringen van internationale logistieke ketens de transportkosten opgedreven. Vooral bij producten met een relatief lage marge drukken de extra vervoerskosten zwaar op de concurrentiepositie.
Verse producten, waaronder groenten en fruit, zijn daarbij extra kwetsbaar. Deze producten zijn voor export over langere afstanden vaak afhankelijk van gekoeld transport. De beperkte houdbaarheid maakt het bovendien lastiger om leveringen uit te stellen of andere transportroutes te kiezen. Ook de Europese binnenvaart werd in 2026 duurder. Door uitzonderlijk lage waterstanden in onder meer de Rijn en de Donau liepen de vervoerskosten afgelopen zomer verder op.
China produceert steeds meer eigen frites
Voor de Nederlandse aardappelsector is vooral de ontwikkeling op de Aziatische markt opvallend. ABN AMRO constateert dat China steeds meer voedingsmiddelen zelf produceert en daardoor minder afhankelijk wordt van import. Dat is duidelijk zichtbaar bij diepgevroren aardappelproducten, zoals frites. Door de groeiende consumptie importeerde China aanvankelijk grote hoeveelheden diepvriesfrites. In 2018 kwam 43 procent van de Chinese import uit Europa, waarvan 15 procent uit Nederland.
Inmiddels is de Chinese productiecapaciteit flink uitgebreid, mede door investeringen van internationale aardappelverwerkers zoals Lamb Weston, McCain en Aviko. Daardoor nam de Chinese import van diepvriesfrites tussen 2018 en 2024 met 84 procent af. Tegelijkertijd exporteert China steeds meer frites naar omliggende landen. Hierdoor neemt niet alleen de Chinese, maar ook de bredere Aziatische vraag naar Europese frites af.
Meer concurrentie op internationale markten
De groeiende voedselproductie in Azië vormt volgens ABN AMRO een structurele uitdaging voor de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie. China investeert onder meer in de teelt van granen, voedselverwerking en nieuwe landbouwtechnologieën. Ook India werkt aan een grotere voedselzelfvoorziening.
Daarnaast zorgen internationale handelstarieven voor onzekerheid. Vooral bedrijven die sterk afhankelijk zijn van export naar landen buiten Europa zijn volgens de bank kwetsbaar voor veranderende handelsvoorwaarden.
De verwachting is dat de concurrentie op internationale afzetmarkten de komende jaren verder toeneemt. Voor de Nederlandse akkerbouw is vooral van belang hoe deze ontwikkeling doorwerkt in de vraag vanuit de verwerkende industrie.
Nieuwe afzetmarkten bieden perspectief
De bank ziet ook mogelijkheden voor de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie. De Europese Unie werkt aan handelsakkoorden met onder meer Mercosur, Mexico, Indonesië, India en Australië. Deze kunnen op termijn toegang bieden tot nieuwe afzetmarkten. Het kan echter wel jaren duren voordat dergelijke handelsakkoorden volledig van kracht zijn’.
Volgens ABN AMRO wordt groei van exportvolumes minder vanzelfsprekend. De concurrentiekracht van Nederlandse voedingsmiddelenbedrijven zal daarom steeds meer afhangen van toegevoegde waarde, productkwaliteit, voedselveiligheid en betrouwbare levering.
Voor de akkerbouw betekent dit dat de ontwikkelingen in de internationale voedselhandel relevant blijven voor de afzetmogelijkheden van gewassen. Vooral de groeiende concurrentie op de markt voor verwerkte aardappelproducten verdient daarbij aandacht.
‘Stand van de Food Sector’
ABN AMRO presenteerde op woensdag 14 oktober haar publicatie ‘Stand van de Food Sector’.
Bron: ABN AMRO, Stand van de Food Sector




