Het kabinet ziet vooralsnog geen reden om de regels rond vruchtwisseling en de landbouwvrijstelling wezenlijk te verruimen. Dat blijkt uit antwoorden van staatssecretaris Tjebbe Eerenberg van Financiën op Kamervragen van de SGP. Wel laat het kabinet ruimte om het recent gepubliceerde beleidsbesluit op onderdelen te verduidelijken of aan te passen na overleg met de sector.
De discussie draait om de vraag wanneer landbouwgrond die tijdelijk door een andere teler is gebruikt, nog onder de landbouwvrijstelling valt. Vooral in de akkerbouw leeft de zorg dat strengere uitleg van de regels samenwerking, vruchtwisseling en de teelt van rustgewassen kan bemoeilijken.
Geen landbouwvrijstelling zonder noodzaak
Volgens het kabinet is de landbouwvrijstelling alleen van toepassing als het tijdelijk uit gebruik geven van grond noodzakelijk is voor vruchtwisseling vanuit het perspectief van de eigenaar van de grond. Is die noodzaak er niet, dan geldt de vrijstelling niet over de periode waarin de grond door een ander is gebruikt.
Daarmee maakt het kabinet ook duidelijk dat bijvoorbeeld een melkveehouder die grasland tijdelijk beschikbaar stelt aan een akkerbouwer, niet automatisch onder deze uitzondering valt. Vanuit het perspectief van die grondeigenaar is vruchtwisseling dan volgens het kabinet niet noodzakelijk voor behoud van de bodemkwaliteit.
Geen breuk met oude praktijk
De SGP vroeg waarom de eerdere werkafspraak uit 2014 niet alleen is vastgelegd, maar volgens de sector ook is aangescherpt. Het kabinet stelt dat het nieuwe beleidsbesluit in hoofdlijnen aansluit bij de praktijk die sinds 2014 al is gevolgd door de Belastingdienst.
Wel zijn voorwaarden nu explicieter geformuleerd. Zo geldt als uitgangspunt dat de periode van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan één teeltseizoen, tenzij de teeltduur van het gewas langer is of een langere periode strikt noodzakelijk is. Ook moet een onderhandse overeenkomst voortaan schriftelijk zijn vastgelegd.
Schriftelijke overeenkomst
Volgens het kabinet heeft die schriftelijke vastlegging vooral een praktische reden. Zonder schriftelijke overeenkomst is het lastiger om aannemelijk te maken dat de grond echt in het kader van noodzakelijke vruchtwisseling ter beschikking is gesteld.
Het kabinet erkent dat dit voor sommige ondernemers een verzwaring van de administratie betekent, omdat in de praktijk veel afspraken mondeling zijn gemaakt. Tegelijkertijd wijst het erop dat het hier gaat om een fiscale faciliteit, waarbij verwacht mag zijn dat een ondernemer het gebruik goed kan onderbouwen.
Voor bestaande afspraken geldt overgangsrecht. Dat kan ook van toepassing zijn op mondelinge overeenkomsten, mits die aantoonbaar zijn.
Eigen teelt van rustgewassen beperkt beroep op uitzondering
Op een gevoelig punt is het kabinet helder: wanneer een teler zelf al een rustgewas of niet-uitputtend gewas in het bouwplan heeft opgenomen, verdwijnt volgens het kabinet de noodzaak om grond voor vruchtwisseling aan een ander ter beschikking te stellen. In dat geval is de landbouwvrijstelling over die periode niet van toepassing.
Daarmee bevestigt het kabinet dat de uitzondering smal blijft. De redenering is dat als de grondeigenaar zelf al invulling geeft aan maatschappelijk gewenste vruchtwisseling, er fiscaal geen reden is om extra ruimte te geven voor uitgebruikgeving.
Bewijs noodzaak blijft maatwerk
Telers moeten aannemelijk maken dat het tijdelijk uit gebruik geven van de grond nodig is voor de bodemgesteldheid en de kwaliteit van de gewassen die zij zelf later weer op die grond willen telen. Dat bewijs is volgens het kabinet vormvrij. Dat kan bijvoorbeeld met vakstudies, maar ook met een bouwplan of andere stukken waaruit de noodzaak blijkt. De inspecteur moet daarbij alle feiten en omstandigheden meewegen.
Overleg met sector blijft mogelijk
De SGP waarschuwde dat de aangescherpte uitleg grote gevolgen kan hebben voor samenwerking tussen telers, bedrijfsoverdracht, kringlooplandbouw en vruchtwisseling. Het kabinet erkent het belang van die thema’s, maar houdt vast aan de huidige lijn: de landbouwvrijstelling is gekoppeld aan gebruik van de grond in de eigen onderneming van de eigenaar.
Wel wijst het kabinet op het bestaande overleg met de sector via het Platform Landbouw. Dat overleg kan volgens de staatssecretaris aanleiding zijn om het beleidsbesluit op onderdelen te verduidelijken of aan te passen, zolang dat past binnen de bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Bron: Ministerie van Financiën




