In Nederland praten we al jaren over doelsturing als controle-instrument op emissies, in plaats van sturen op middelen en voorschriften. De politieke discussie lijkt ook steeds meer die kant op te bewegen: minder generieke regels, meer ruimte voor ondernemerschap, mits het doel wordt gehaald. Maar hoe werkt dat eigenlijk in de praktijk? Onze zuiderburen hebben er al jarenlang ervaring mee.
Tijdens de themamiddag van de Commissies Bemesting (CBAV en CBGV) begin februari in Nijkerk stond die vraag centraal: wat betekent doelsturing voor akkerbouwers en melkveehouders en hoe kunnen zij daar concreet mee aan de slag? Inspiratie voor het antwoord kwam uit Vlaanderen. Annick Goossens van de Vlaamse Landmaatschappij vertelde hoe doelsturing op het nitraatresidu in Vlaanderen is uitgegroeid van controle-instrument naar beloning van vakmanschap. “Niet de maatregel staat centraal, maar het resultaat in de bodem.”
In Vlaanderen wordt in het kader van de mestwetgeving al ruim twintig jaar gewerkt met een systeem dat sterk inzet op meting en verantwoordelijkheid op bedrijfsniveau. Goossens lichtte toe hoe daar het nitraatresidu in de bodem in het najaar wordt gemeten. Daarmee is het systeem in feite een schoolvoorbeeld van doelsturing: niet voorschrijven hoe een landbouwer moet bemesten, maar meten wat er uiteindelijk uitspoelt.
Waarom nitraatresidu meten?
Wanneer in het najaar een overschot aan nitraat in de grond zit, bestaat risico op uitspoeling naar het grondwater. Om deze uitdaging goed in beeld te krijgen, is men in Vlaanderen het nitraatresidu gaan meten. Sinds 2004 fungeert deze meting als controle-instrument. Te hoge waarden kunnen leiden tot verplichte begeleiding of geldboetes.
Vanaf 2015 is er echter ook een beloningssysteem aan gekoppeld voor bedrijven die lage residuwaarden realiseren. Ruim 6.000 van de circa 23.000 bedrijven heeft momenteel een vrijstelling. Bedrijven die aantoonbaar lage nitraatresidu’s realiseren, krijgen vrijstelling van strengere bemestingsnormen, strengere mesttransportregels en registratie van kunstmestgebruik. “Een verhaal van slaan en zalven”, betitelt Goossens de ontwikkeling. Daarmee krijgt doelsturing ook een positieve lading: wie het doel haalt, krijgt ruimte.
Hoe worden de monsters genomen?
Voor het vaststellen van het nitraatresidu worden drie lagen bemonsterd:
- 0-30 centimeter
- 30-60 centimeter
- 60-90 centimeter
Dit jaar wordt een vernieuwde bemonsteringsmethode toegepast voor het nitraatresidu. Tot en met 2025 werd per twee hectare gewerkt met vijftien boorpunten in een vast patroon. Door de grote variatie binnen percelen was dat vaak onvoldoende representatief.
Vanaf 2026 wordt daarom anders bemonsterd: per perceel (tot vijf hectare) worden veertig boringen uitgevoerd, verdeeld over zones met gelote prikplekken. Hierdoor daalt de meetonzekerheid en wordt de meting een betrouwbaarder instrument voor doelsturing. De monsternameperiode is in 2026 verlengd van 1 oktober tot en met 30 november, waardoor beter kan worden aangesloten bij oogst en omstandigheden op het veld. Een cruciaal punt bij doelsturing is immers dat de meting betrouwbaar en geaccepteerd is – anders verdwijnt het draagvlak.
Drempelwaarden
De Vlamingen werken met drempelwaarden voor het nitraatresidu, uitgedrukt in kilogram minerale stikstof per hectare in de bovenste 90 centimeter. Er zijn twee drempelwaarden (DW’s). De hoogte van de DW is afhankelijk van verschillende factoren, zoals gewas, bodemtype en gebiedstype/waterkwaliteit.
Zit het nitraatresidu onder DW1, dan zijn er geen maatregelen nodig. In gebiedstype GT3, de gebieden met de hoogste druk op de waterkwaliteit in Vlaanderen, geldt zelfs vrijstelling van bepaalde controles.
Bij een nitraatresiduniveau tussen DW1 en DW2 moet een bedrijf een bemestingsplan opstellen en teeltfiches bijhouden. Als een bedrijf binnen vijf jaar tweemaal in deze zone valt, kan dat leiden tot extra maatregelen, waaronder verplichte begeleiding door een erkend praktijkcentrum. Begeleiders bekijken dan alle informatie over het bedrijf en geven aanbevelingen die door de landbouwers moeten worden opgevolgd.
Boven DW2 moet het bedrijf naast een bemestingsplan en teeltfiches ook verplichte begeleiding volgen. Daarnaast zijn er geen terugverdieneffecten toegestaan. Dat wil zeggen dat er geen extra stikstof mag worden bemest om de nitraatverliezen te compenseren. Bij herhaalde overschrijding binnen vijf jaar volgt een boete van 250 euro per hectare.
Hier wordt duidelijk wat doelsturing in de praktijk betekent: ruimte zolang het resultaat op orde is, maar gerichte en oplopende interventies wanneer het doel niet wordt gehaald.
Hoe overschrijding voorkomen? De 6 J’s
Als teler heb je nitraatuitspoeling nooit helemaal in de hand. Weersomstandigheden hebben impact en in de ene teelt is het makkelijker om nitraat vast te houden dan in de andere teelt. Bij grasland bijvoorbeeld, is het risico op nitraatuitspoeling een stuk lager dan bij aardappelen en mais.
Als praktische leidraad voor een zo klein mogelijke nitraatuitspoeling hanteert men in Vlaanderen als het om bemesting gaat de 6 J’s:
- juiste dosis
- juiste mestsoort
- juiste tijdstip
- juiste techniek
- juiste plaats
- juiste teelt
Wie deze principes consequent toepast, stuurt op efficiënt nutriëntengebruik en beperkt verliezen naar het milieu. In de praktijk blijkt dat veel bedrijven daardoor vrijstelling behalen van strengere controles. Hoewel controles nooit populair zijn, is het systeem volgens de Vlaamse ervaringen werkbaar en geaccepteerd geraakt. Juist doordat niet het middel, maar het meetbare resultaat centraal staat.
Globaal dalende trend
Wie het overzicht van het gemiddelde nitraatresidu in Vlaanderen sinds 2004 bekijkt, ziet een lijn met scherpe pieken en dalen. Klimatologische omstandigheden spelen hier een belangrijke rol in. Maar globaal is er een dalende trend zichtbaar. Sinds 2018-2019 is ook het percentage overschrijdingen van de norm van 50 milligram nitraat per liter in het oppervlaktewater aan het dalen.

“We zijn er echter nog lang niet, andere maatregelen blijven broodnodig, maar de nitraatresidumetingen en toepassing van de 6 J’s zullen zeker hebben bijgedragen aan de verbetering”, stelt Goossens.
Wat betekent dit voor Nederland?
Als in Nederland de stap naar doelsturing verder wordt gezet, laat Vlaanderen zien wat daarvoor nodig is. Allereerst moet het systeem staan. Streefwaarden en drempelwaarden moeten duidelijk zijn en afgestemd op het beoogde doel. De bemonsteringsmethode moet eenduidig zijn en consequenties in de vorm van maatregelen of beloningen moeten helder worden vastgelegd.
Doelsturing vraagt dus niet minder regels, maar andere regels: minder voorschrijven hoe iets moet, meer toetsen wat het oplevert. En misschien wel de belangrijkste les van Goossens: “Een overschrijding is niet het einde van de wereld. Ga ermee aan de slag, want er gaat iets niet goed.”
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV



