Vanwege de droogte zullen boeren niet kunnen voldoen aan bepaalde conditionaliteiten en eco-regelingen met betrekking tot minimale bodembedekking. De minister past de regels rond minimale bodembedekking aan en verruimt de termijn voor de eco-activiteit ‘vroeg ras rooigewas’. Daarmee moet worden voorkomen dat telers financieel worden afgerekend op voorwaarden die door de droogte praktisch niet haalbaar zijn.
De zomer van 2026 wordt gekenmerkt door uitzonderlijke droogte. Op verschillende plaatsen gelden bovendien beperkingen voor het onttrekken van grond- en oppervlaktewater. Voor akkerbouwers heeft dat niet alleen gevolgen voor de gewassen, maar ook voor het kunnen uitvoeren van maatregelen die gekoppeld zijn aan GLB-betalingen. Minister Jaimi van Essen van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft daarom besloten voor een aantal voorwaarden overmacht toe te kennen.
Bodembedekking van 80 procent
Een belangrijke aanpassing betreft de verplichte minimale bodembedekking. GLMC 6 schrijft een minimale bodembedekking van 80 procent voor. Ook bij de eco-activiteiten groene braak en onderzaai vanggewas geldt een voorwaarde van 80 procent zichtbare bedekking. Door de droogte en beperkte mogelijkheden om te beregenen lukt het op sommige percelen niet om de voorgeschreven bedekkingsgraad te realiseren.
Voor twee voorwaarden binnen GLMC 6 Minimale bodembedekking wordt daarom overmacht toegekend. Het gaat om onderdelen waarbij minimaal 80 procent bodembedekking wordt verlangd: in de zomer op percelen die uit productie zijn gehaald en op kleigrond voor de minimale periode van bodembedekking in het najaar, die vanaf 1 augustus begint.
Bij de eco-activiteit onderzaai vanggewas geldt de versoepeling eveneens voor de minimale zichtbare bedekking van 80 procent. Daarnaast geldt overmacht voor de voorwaarde dat het vanggewas direct na de oogst van de hoofdteelt aanwezig moet zijn.
De eco-regeling werkt normaal gesproken met een resultaatverplichting. Alleen een maatregel uitvoeren is dus niet altijd voldoende; het vereiste resultaat moet ook daadwerkelijk worden bereikt. Vanwege de huidige droogte kiest de Minister ervoor om niet het resultaat, maar de vereiste inspanning te vergoeden.
Meer tijd voor ‘vroeg ras rooigewas’
Ook telers die deelnemen aan de eco-activiteit ‘vroeg ras rooigewas’ krijgen extra speelruimte. Normaal geldt hiervoor 1 september als uiterste rooidatum. Die datum wordt voor 2026 gelijkgetrokken met de huidige uiterste inzaaidatum van vanggewassen op zand- en lössgrond: 1 oktober. Daarmee ontstaat maximaal een maand extra ruimte om het gewas te laten staan.
Voor telers kan dat dit droge seizoen een belangrijk verschil maken. Vroeg rooien terwijl het gewas of de bodemomstandigheden daar niet aan toe zijn, kan ten koste gaan van opbrengst, kwaliteit of rooibaarheid. De verruiming maakt het mogelijk om het oogstmoment meer op de omstandigheden in het veld af te stemmen zonder direct de betreffende eco-activiteit mis te lopen.
Uitrijperiode mest op bouwland verandert niet
Er wordt in de Kamerbrief ook gesproken over het uitrijden van dierlijke mest. Daar zit voor akkerbouwers een belangrijk onderscheid in. De aangekondigde verlenging heeft alleen betrekking op grasland.
De uitrijperiode voor drijfmest op grasland wordt op alle grondsoorten verlengd tot en met 15 september. Voor vaste dierlijke mest op grasland op zand- en lössgrond wordt eveneens 15 september als einddatum gehanteerd. De Kamerbrief kondigt geen verlenging van de uitrijperiode op bouwland aan.
Deelnamebereidheid eco-regeling
De minister geeft aan dat hij het belangrijk vindt dat het beleid blijft aansluiten op de praktijk. Met deze maatregelen hoopt hij daarin de sector onder deze uitzonderlijke omstandigheden tegemoet te komen. Dit ook om de deelnamebereidheid aan de eco-regeling niet in het geding te laten komen. De omstandigheden onderstrepen tegelijkertijd het belang van de weerbaarheid van de agrarische bedrijfsvoering tegen extreme weeromstandigheden, aldus de Minister.
Tekst: Corinne Hanse




