Een proef met de vSET-zaaitechniek in IJzendijke laat positieve resultaten zien voor de opkomst en plantverdeling van uien. Bij deze techniek worden uienzaden op een biologisch afbreekbaar lint aangebracht en nauwkeurig in de bodem geplaatst. De opkomst lag hoger dan bij conventioneel zaaien. De resultaten bieden volgens de betrokken partijen aanknopingspunten om de techniek verder te ontwikkelen.
De techniek staat bekend als lintzaai, maar heet officieel vegetable Seed Embedded Technology (vSET). Het systeem is ontwikkeld voor fijnzadige gewassen die ondiep worden gezaaid. Naast uien wordt gewerkt aan toepassingen in cichorei en peen. Het doel is een uniformere opkomst en een nauwkeurigere verdeling van de planten, met mogelijkheden om het gebruik van chemische middelen te verminderen.
Zaadlint zorgt voor nauwkeurige plaatsing
Bij vSET worden de zaden op vaste afstanden op een biologisch afbreekbaar lint aangebracht. Een speciaal ontwikkelde machine legt dit lint in een V-vorm in de grond. Hierdoor blijven de zaden op hun plaats liggen en wordt voorkomen dat ze tijdens het zaaien verrollen en in clusters bij elkaar terechtkomen.
De V-vorm maakt het mogelijk om de zaden zeer ondiep en nauwkeurig te plaatsen. Via capillaire opstijging kan vocht uit diepere bodemlagen het zaad bereiken. Wanneer het lint goed wordt toegedekt, blijft de omgeving rondom het zaad langer vochtig. Dat kan bijdragen aan een betere opkomst.
Zaaien in een groene grasmat
In IJzendijke werd onderzocht of de techniek het mogelijk maakt om uien eerder en nauwkeuriger te zaaien, ook in een groen vanggewas en zonder aanvullende grondbewerking.
De ruggen werden in het najaar van 2025 aangelegd. Tegelijkertijd werd druppelirrigatie geïnstalleerd. Daarna bleef de grond gedurende de winter ongemoeid, zodat de capillaire werking zich kon herstellen.
Half maart werd op een deel van het perceel het vSET-lint rechtstreeks in de nog groene grasmat aangebracht. Vervolgens werden de grasmat en het aanwezige onkruid doodgespoten. De voorvrucht was graszaad.
Iets meer dan een week later werd de rest van het perceel op conventionele wijze ingezaaid. De voorbereidende werkzaamheden waren voor beide teeltmethoden gelijk. Gedurende het groeiseizoen werden de gewassen gevolgd en na de oogst met elkaar vergeleken.
Hogere opkomst bij lintzaai
De proef liet zien dat het perceel door de beperkte voorjaarsgrondbewerking eerder kon worden betreden dan bij conventioneel zaaien. Daarnaast bleek het mogelijk om met de zaadlintmachine rechtstreeks in een groen vanggewas te zaaien.
Ook de opkomstresultaten waren gunstiger bij vSET. Eén maand na het zaaien was 76 procent van de zaden opgekomen, tegenover 70 procent bij de conventionele methode.
Een maand later bedroeg het aantal aanwezige planten ten opzichte van het aantal gezaaide zaden 67 procent bij lintzaai en 55 procent bij conventioneel zaaien.
Daarnaast was de plantafstand bij vSET nauwkeuriger en kwamen minder dubbele kiemplanten voor. Wel bleef het gewas bij de lintzaaimethode iets achter in groei. Volgens de betrokkenen kwam dit doordat bij vSET geen startmeststoffen waren toegepast.
Zaaidichtheid mogelijk halveren
De resultaten bieden mogelijkheden om de zaaidichtheid in een volgende proef te verlagen. Door de hogere opkomst en gelijkmatige verdeling kunnen de uien bij de huidige zaadafstand te dicht op elkaar komen te staan.
Daarom wordt onderzocht of de zaaidichtheid met maximaal 50 procent kan worden verminderd. De afstand tussen de zaden op het lint zou daarbij toenemen van 2,6 centimeter naar 4 à 5 centimeter.
Een grotere plantafstand kan mogelijk zorgen voor een hoger aandeel leverbare uien in de gewenste handelsklasse. Dat zou kunnen leiden tot een hogere kilogramprijs en, na aftrek van de extra kosten, een beter saldo.
Uienteler Brian Salomé ziet mogelijkheden, maar wijst erop dat een uniformere sortering niet automatisch een betere prijs oplevert. De vraag naar grove, middelgrote of fijne uien wisselt immers sterk.
Toch ziet hij perspectief in de techniek. Hij wil zijn uienteelt verder optimaliseren en beschouwt de lintzaaimethode als een mogelijke stap in die richting.
Startmeststof toevoegen aan zaadlint
Voor de verdere ontwikkeling onderzoekt S&dB of het mogelijk is om tijdens het zaaien startmeststoffen aan het vSET-lint toe te voegen. Daarmee zouden extra granulaten, vloeistoffen of apparatuur tijdens het zaaien mogelijk achterwege kunnen blijven.
Salomé ziet vooral mogelijkheden voor het toevoegen van startfosfaat en een middel tegen insecten. Daarnaast blijft het beperken van bodemverdichting in de trekkersporen een aandachtspunt.
Ook het rechtstreeks zaaien in een groenbemester op ruggen vraagt volgens de betrokkenen om nader onderzoek. Daarbij gaat het onder meer om de wisselwerking tussen de uienteelt, groenbemesters en de draagkracht van de bodem.
Nieuwe proeven in 2027
Volgens Maikel Huygens van S&dB bieden de resultaten voldoende perspectief om zowel de zaaimachine als het zaadlint verder te ontwikkelen.
De betrokken partijen willen de proeven in 2027 voortzetten met een aangepaste machine. Daarbij worden de ervaringen uit het afgelopen teeltseizoen meegenomen.
S&dB streeft ernaar om het systeem in 2028 commercieel op de markt te brengen voor fijnzadige gewassen, waaronder uien en wortelen.
Het bedrijf verwacht dat vooral loonwerkers en grotere telers de machines voor het leggen van de zaadlinten zullen aanschaffen. Individuele telers kunnen vervolgens zelf bepalen hoeveel zaden en eventuele hulpstoffen op het lint worden aangebracht.




